CD-recensie

 

© Aart van der Wal, februari 2018

 

Mahler: Symfonie nr. 4 in G

Mahler/(C.) Matthews: Pianokwartet in a (bewerking voor orkest)

Miah Persson (sopraan), Orchestre Philharmonique de Luxembourg o.l.v. Gustavo Gimeno

Pentatone PTC 5186751 • 67' • (sacd)
Opname: februari 2017 (symfonie), juni 2017 (pianokwartet), Philharmonie, Luxemburg

 

Mahlers Vierde symfonie is niet wat zij lijkt aan te kleven: speels, zorgeloos, naïef, onschuldig, onbevangen (u kunt zelf ongetwijfeld nog andere termen bedenken). En als meerdere elementen daarvan bovendien tegelijkertijd optreden? Dan verschuift het beeld nog verder, wordt het zelfs tamelijk ingewikkeld. Gebroken melodieën, harmonieën, de ritmiek die als uit het niets een ware gedaanteverwisseling ondergaat. Zoiets simpels als een versnelling of vertraging, alsof het naar een andere wereld leidt. En net als bij Mozart is het soms niet meer dan een vleugje, een zeer kortstondig moment, met meesterhand vervlochten in een buitengewoon geraffineerd 'spel' van licht en schaduw dat steeds weer nieuwe vergezichten opent. Waarbij we ons wel goed moeten realiseren dat we allang niet meer onbevangen naar deze muziek kunnen luisteren, zo sterk verankerd als zij in onze herinnering is. Misschien zouden we ons dit eens meer moeten realiseren?

Is dit beschrijvende muziek? In ieder geval niet volgens de beproefde receptuur van een Richard Strauss of Franz Liszt. Het is wel hemelse muziek en dan niet alleen door de verwijzing naar de 'himmlische Freuden' in de finale, gebaseerd op het gelijknamige lied dat we in Mahlers oeuvre vaker tegenkomen en ons terugvoert naar 'Des Knaben Wunderhorn'. Maar aan die hemelse vreugde gaat wel zo het een en ander vooraf. Magere Hein in het Scherzo bijvoorbeeld, met de hoger gestemde viool die ons een 'Totentanz' voortovert. Ook in harmonisch opzicht een deel dat de duistere kanten van het 'aardse leven' (het 'irdische Leben' uit dat andere 'Wunderhorn'-lied) niet onbesproken laat en de kinderlijke onbevangenheid plaatsmaakt voor de gruwel van de dood. Zoals ook in die zo vrolijk gestemde finale de bijna uitgelaten onschuld - zij het kortstondig - in het gedrang komt door de grimmige scène van het geslachte lam en de os.
Het langste deel is het breed uitgesponnen 'Ruhevol', een 'poco adagio' met zijn hymnische dimensies, dat Mahler verbond met de 'diepe treurigheid en het door de tranen heen lachende gelaat van zijn moeder'. Verheven muziek, die evengoed een geheel andere betekenis mee had kunnen krijgen, maar waarvan de expressieve bezonkenheid een sfeer uitstraalt die zelfs voor een slechte verstaander al voldoende mag heten.

Dit uitgesproken caleidoscopische werk vraagt zowel technisch als interpretatief veel van dirigent, orkest en soliste, wat niet wegneemt dat er veel geslaagde opnamen van in de catalogus staan (nog afgezien van de uitgaven die helaas niet meer leverbaar zijn, waarvoor de verschillende muziekdiensten gelukkig een dankbaar alternatief zijn). Gimeno toont zich een uitstekende Mahler-dirigent die de kunst van de goed gedoseerde 'Schmalz' goed verstaat, een natuurlijk rubato en accelerando aan het concept weet toe te voegen, maar ook de frasering met grote zorgvuldigheid uitwerkt en daarbij toch een zekere dynamische koelheid weet te bewaren. Ik houd niet zo van vergelijkingen, maar toch kreeg ik de neiging de DG-uitgave met Pierre Boulez en de Clevelanders uit de kast te halen. De overeenkomsten bleken inderdaad treffend (al gebiedt de eerlijkheid dat dit ook voor de verschillen gold, wat zeker iets zegt over Gimeno's muzikale individualiteit). Sopraansoliste Miah Persson is natuurlijk en gloedvol, zelfs een fractie beter geprofileerd dan Juliane Banse bij Boulez, terwijl ook Gimeno de uitbundig accenten hier goed weet te plaatsen. Persson zong de partij al eerder, bij het Budapest Festival Orchestra onder Iván Fischer (hier besproken door collega Maarten Brandt). De slotsom is helder: een uitstekende Mahler 4 onder Gimeno, al is de inmiddels wel erg fors uitgevallen discografie een factor van belang geworden (wie ziet door het alsmaar uitdijende bos nog de bomen?) Zij het met de aansluitende kanttekening dat Mahlers Vierde net als zijn overige symfonieën een werk is waar interpretatief sowieso geen laatste woord voor geldt en waarvan het reeds genoemde caleidoscopische karakter vele verschillende wegen kan openen (wat weleens door de critici over het hoofd wordt gezien).

Dan is er de 'toegift', de door de Britse componist Colin Matthews in 2008/09 voor orkest bewerkte versie van Mahlers onvoltooid gebleven Pianokwartet in a. Mahler componeerde het stuk in Wenen in juni 1876, waar het een maand later tijdens een concert van het Weens conservatorium in première ging. Een jaar eerder was Mahler daar compositieleer gaan studeren bij Franz Krenn en harmonie bij Robert Fuchs. Ook nam Mahler een aantal contrapuntlessen ter harte in de compositieklas van Anton Bruckner. Mahler bewees zich als een ijverige leerling die tijdens zijn conservatoriumstudie ook componeerde, waaronder tenminste een deel van een symfonie, meerdere liederen en een aantal kamermuziekwerken, waaronder het eerste deel van een Pianokwartet in a, dat zeer in de smaak viel: Mahler sleepte er zelfs een belangrijke conservatoriumprijs mee in de wacht. Volgens een plaatselijke muziekcriticus (het werk werd in september 1876 uitgevoerd in het Boheemse Iglau, de woonplaats van zijn ouders) toonde de compositie een indrukwekkende ideeënrijkdom en groot compositorisch vakmanschap, kortom het werk van een genie.
Mahlers Pianokwartet, gecomponeerd in sonatevorm, past inhoudelijk niet bij Mahlers Vierde symfonie, maar voor deze door Matthews uitstekend bewerkte (het mahleriaanse orkestrale idioom is voortdurend onmiskenbaar) en door de Luxemburgers niet minder uitstekend uitgevoerde orkestversie ligt dat gelukkig anders. De door Polyhymnia gemaakte opname is weer bijzonder geslaagd, zowel in stereo als in surround.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links